Inloggen Lid worden

Ruben Brekelmans bij de Binnenhoflezing: De wereld wacht niet. Nederland moet vooruit.

9 september 2026

Onze fractievoorzitter Ruben Brekelmans sprak vandaag tijdens de Binnenhoflezing over de noodzaak om Nederland sterker en weerbaarder te maken: nationaal, internationaal en economisch.

Dat begint bij ruimte om te ondernemen. Ondernemers en bedrijven moeten kunnen groeien en investeren, zonder onnodige regels en bureaucratie. Tegelijkertijd moeten meer mensen aan het werk en moet werken meer lonen. Zo versterken we onze economie en zorgen we ervoor dat Nederland vooruit kan.

Een sterke economie is de basis voor een sterk Nederland. Daar moeten we allemaal aan bijdragen.

“Als we willen bouwen aan de kracht van Nederland, vraagt dat een tandje erbij. Van ons allemaal.”

Wil je de hele lezing terugkijken? Klik hier.

Lees hier de tekst van de Binnenhoflezing

Het gesproken woord geldt.

De kracht van Nederland

Deze zomer was ik op een warme woensdagochtend in een loods in Friesland. Tientallen vrijwilligers verzamelden daar spullen en laadden deze in voor Oekraïne. Ze hadden deze zomerdag naar het strand, het bos of het terras kunnen gaan, maar kozen er zoals elke week voor hun mouwen op te stropen. Omdat Oekraïne onze steun hard nodig heeft, elke dag weer. In die loods kwam een 87-jarige mevrouw naar mij toe. Zij gaf mij het blad ‘Vrij!’, dat zij als zesjarig meisje net als veel andere kinderen had gekregen bij de bevrijdingsfeesten in september 1945. Ze had het al die jaren bewaard. Ze gaf het mij, om te laten zien hoe Nederland dezelfde strijd voor vrijheid heeft gevochten als Oekraïne nu.

Ik heb het blad in één adem uitgelezen. Omdat het de zucht van opluchting schetst die door Nederland ging, na vijf jaar oorlog en onderdrukking. Omdat het een eerbetoon geeft aan degenen die voor onze vrijheid streden En omdat het eindigt met een prachtige oproep:

Nederland weer opbouwen, Nederland uitdragen over de wereldzeeën, Nederland weer maken tot dat dierbare plekje grond, waarvoor je niets ter wereld zou willen ruilen.

Dat dierbare plekje grond, waarvoor je niets ter wereld zou willen ruilen. Ik haal deze tekst aan, niet omdat ik terug wil naar de jaren vijftig. Integendeel. Ik wil vooruitkijken. Naar volgend jaar, naar de komende jaren, met het vizier op 2050. Ik haal het aan omdat het zo treffend de Nederlandse mentaliteit weergeeft. Van de mouwen opstropen.

Met zelfvertrouwen over de grenzen kijken. Met een gedeelde liefde voor dat ‘dierbare plekje grond’. Zo hebben generaties voor ons, Nederland opgebouwd tot één van de meest vrije, welvarende en veilige landen ter wereld. Dit alles staat nu ongekend onder druk. Meer dan in de afgelopen 80 jaar.

We leven als Nederland in een tijd van militaire en hybride dreigingen, in een ‘grijze zone’ tussen oorlog en vrede. Met langdurige oorlogen in Europa en het Midden-Oosten. Er zijn handelsconflicten en wereldwijd is een intensieve strijd gaande, om dominantie in technologie en AI.

China draait ons economisch de duimschroeven aan, door oneerlijke concurrentie en door ons eenzijdig afhankelijk te maken van Chinese grondstoffen en fabrieken.

Vrijwel iedereen merkt de gevolgen, aan vrijwel elke keukentafel. Banen worden onzeker. De prijzen stijgen in de supermarkt en aan de pomp. Rekeningen gaan omhoog. Ondernemers zien hun marges afnemen. Steeds meer mensen twijfelen of hun kinderen het beter zullen krijgen dan zij.

Dat zorgt voor angst, boosheid en wantrouwen richting elkaar en richting de overheid. We staan nu als land op een kantelpunt in de geschiedenis. Gaan we de komende jaren achteruitgang managen? Of bouwen we een krachtig land, dat haar belofte van vooruitgang waarmaakt?

Ik kies bewust het woord ‘kracht’. Kracht is nodig in tijden van oorlog, handelsconflicten en economische strijd. In Nederland gebruiken we dat woord niet vaak.

Toen ik in de Verenigde Staten studeerde, had ik hele colleges en las ik boeken over het begrip ‘power’. Bijvoorbeeld van professor Joseph Nye, die naast hard power de termen soft power en smart power bedacht.

In Nederland spreken wij letterlijk en figuurlijk niet meer de taal van de macht, of van kracht. Maar in de huidige wereld kunnen we ons dat niet meer permitteren.

Wat is dan een krachtig Nederland? Dat is allereerst een land dat Nederlanders veilig houdt, zowel tegen dreigingen vanuit het Kremlin als tegen dreigingen op straat.

Een krachtig Nederland doet economisch mee in de wereld, waardoor er meer dan genoeg banen zijn en elke Nederlander kansen heeft.

Een krachtig Nederland is gestoeld op de kracht van mensen, die durven ondernemen, die hard werken, en de vrijheid hebben om zelf keuzes te maken in het leven.

Dit vereist ook een krachtige democratie, waarin Nederlanders zich vertegenwoordigd voelen. En die in staat is om te leveren. Door dit alles is een krachtig Nederland niet kwetsbaar. Kan het tegen een stootje.

En maakt het haar fundamentele belofte waar, dat iedere generatie opnieuw een net wat beter leven heeft.

Ook voor onze kinderen blijft het dat ‘dierbare plekje grond, waarvoor je voor niks in de wereld zou willen ruilen’.

Ik benoemde zojuist vier belangrijke dimensies: militaire, economische, menselijke en democratische kracht.

Militair zijn belangrijke besluiten genomen. In de NAVO is 3.5% voor defensie-uitgaven afgesproken, in Nederland staat dit structureel in de begroting. Steun aan Oekraïne is voor meerdere jaren vastgelegd.

Er moet nog ontzettend veel gebeuren, en het is nu vooral zaak om tempo te houden. Als minister van Defensie heb ik daar vaak over gesproken, dus richt ik mij vandaag op de andere terreinen waarop grote veranderingen nodig zijn: economische, menselijke, en democratische kracht. 

  1. Economische kracht

Voor de grote vraagstukken van deze tijd wordt vaak direct naar de overheid gekeken. Onterecht!

Het zijn ondernemers die de drones maken om ons veilig te houden.

Het zijn bedrijven die medische apparaten ontwikkelen, waardoor mensen ook in een vergrijzende samenleving de juiste zorg krijgen.

Het zijn bedrijven, ondernemers en ZZP’ers die jaarlijks 100.000 huizen moeten bouwen, niet de overheid. Al die ondernemers moeten we koesteren. Het zijn mensen die iets bedenken en vervolgens het lef hebben om te zeggen: ik ga dit gewoon doen.

Die hun dromen najagen. Die risico nemen, investeren en mensen aannemen. Die 9 van de 10 keer het beste voor hebben met hun medewerkers. Daar mogen we trots op zijn.

Vertrouwen in hebben, in plaats van wantrouwen. Hen waarderen, voor de banen die zij creëren. Churchill zei het al:

“Sommigen zien bedrijven als een roofzuchtige tijger die moet worden neergeschoten.

Anderen zien het als een koe die ze kunnen melken. Slechts een handvol ziet ze voor wat ze werkelijk zijn: het sterke paard dat de hele kar trekt.”

Bedrijven zijn het sterke paard dat zorgt voor economische groei, waardoor alles kan draaien. Iedere euro die de overheid uitgeeft, moet immers eerst worden verdiend. Alleen met succesvolle bedrijven kunnen we zorg, onderwijs en defensie betalen.

Als de economie niet of nauwelijks groeit, wordt politiek een achterhoedegevecht over wie er moet inleveren. En precies daarover maak ik mij zorgen.

Ik ben de afgelopen maanden bij meer dan twintig ondernemers en bedrijven op bezoek geweest. Van groot tot klein, van traditioneel tot tech, verspreid door het hele land. Allemaal zeggen ze hetzelfde. “We hebben plannen om te groeien. We willen investeren. Risico nemen. Mensen aannemen. Maar we worden aan alle kanten belemmerd of zelfs tegengewerkt.”

De wereld versnelt, maar in Nederland trappen we op de rem. Met regels, vergunningen, verplichte administratie, rapportages, commissies, vleermuizen en rugstreeppadden, eindeloze en verstikkende procedures.

In Nederland zijn we het proces belangrijker gaan vinden     dan het resultaat. Of de procedure juist is doorlopen. De checklist afgevinkt. Het beleidskompas gevolgd. De overheid is één grote procesfabriek geworden.

De formulieren zijn ingevuld, maar de banen zijn verdwenen. Uit dit moeras komen, vraagt om een fundamentele verandering van onze mentaliteit. Laten we de ondernemer die risico neemt waarderen, in plaats van degenen die ieder risico vanaf de zijlijn wil weg managen. Waardeer het bedrijf dat iets neerzet, in plaats van degene die het controleert. Geef meer vertrouwen aan ondernemers, in plaats van ze te vermoeien met oeverloze administraties.

Onderdeel van deze mentaliteitsverandering is dat we de overheid drastisch verkleinen. Die zit letterlijk en figuurlijk in de weg. Dat betekent consequent regels schrappen.

Het is een gemiste kans dat het kabinet het doel van 500 regels schrappen in jaar 1 niet heeft gehaald. Het betekent vergunningsprocedures fors inkorten.

Het is aan jongeren niet uit te leggen dat ze jarenlang op zolder wonen, omdat die procedures zo lang duren.

Of dat bedrijven hierdoor geen stroom kunnen krijgen, terwijl wel wordt geëist dat ze verduurzamen. Een kleine overheid betekent ook fors personeel inkrimpen.

Nu worden alsmaar meer mensen aangenomen.

Het gevolg is vooral meer complexiteit, meer overleggen,   meer traagheid. Niet meer zichtbaar resultaat. Zo zijn er tienduizenden ambtenaren bijgekomen. Mensen die beter bij bedrijven hadden kunnen werken,        aan onze economische kracht.

Dit tij moet direct worden gekeerd. Stel daarom – per ministerie en overheidsinstelling – harde doelen vast om te besparen. Overweeg vacaturestops waar dat kan. Gebruik AI om het werk leuker en minstens 20% efficiënter te maken, net als in het bedrijfsleven.

Bij de overheid wordt AI vaak nog stiekem gebruikt, omdat er geen regels voor zijn. U hoort het goed, stiekem.

Terwijl AI – na internet aan het begin van deze eeuw – de grootste omwenteling is in 25 jaar. Het biedt oneindig kansen. Voor bedrijven, de overheid, voor iedereen.

Net als bij de opkomst van internet zullen er werkzaamheden verdwijnen. Als onze economie krachtig genoeg is, is dat geen probleem. Dan komen er meer banen voor terug.

Maar dan moeten onze bedrijven internationaal wél kunnen concurreren.  De VS en China zien dominantie op AI als dé allesbepalende strijd. Daarom investeren Amerikaanse techbedrijven nu 1000 miljard dollar in AI.

Dat is twee keer onze hele rijksbegroting. Als Nederland kunnen we deze strijd niet winnen, maar laten we op zijn minst de boot niet missen. We hebben de kennis, het talent, het ondernemerschap.

Daarom zeg ik tegen het kabinet: maak AI tot topprioriteit. Zorg dat Nederland bij de top van vestigingslanden voor AI in Europa hoort.

Daarvoor is ook een andere vorm van kracht nodig: rekenkracht. Laten we de obstakels wegnemen voor een AI-gigafabriek en datacenters.

Betrouwbare en betaalbare energie is hiervoor de basis. Spreid de vraag naar energie slimmer en ga door roeien en ruiten om het stroomnet sneller te verzwaren. En maak tempo met kerncentrales en SMR’s.

De overheid moet meer investeren, en minder consumeren. Meer uitgeven aan wegen en het elektriciteitsnet, minder aan uitkeringen en ambtenarensalarissen. Het is de keuze tussen groei OF achteruitgang.

Tussen economische kracht OF kwetsbaarheid. Zo simpel is het. Sommigen doen net of we meer kunnen investeren én meer consumeren. Maar dat betekent de schuld laten oplopen en de rekening bij onze kinderen leggen. Onze rentelasten zijn in een paar jaar gestegen van 5 naar 10 miljard.

Als we niks doen komt daar de komende jaren nog eens 10 miljard bij. Geld dat zomaar verdampt. En we weten één ding zeker, er komen meer geopolitieke en economische schokken. Turbulentie is de nieuwe constante.

Een Russische aanval op de NAVO, een Chinese blokkade van Taiwan, een wereldwijde economische crisis. Het behoort allemaal tot de mogelijkheden. Daarom is het zo belangrijk om buffers te houden. Alleen dan staat ons land krachtig, in een turbulente wereld.

Kortom, er ligt een fundamentele keuze voor. Zijn we het land van procespraters met een voet op de rem? Of het land van ondernemers en harde werkers, die vooruit willen? Ik kies voor het laatste.

  1. Menselijke kracht

Om te bouwen aan de kracht van ons land, hebben we mensen nodig. Bouwvakkers om huizen neer te zetten, technici om het stroomnet te verzwaren, militairen om ons land veilig te houden. Bij bedrijven, in de zorg, het onderwijs: overal! Momenteel staan zo’n 400.000 vacatures open.

Tegelijkertijd krijgen zo’n 200.000 mensen een WW-uitkering, zo’n 400.000 mensen een bijstandsuitkering en ca 880.000 mensen een arbeidsongeschiktheidsuitkering. We kunnen het ons niet veroorloven dat 1.5 miljoen mensen langs de kant staan.

En dat dit blijft oplopen. Dit is voor niemand goed. Niet voor de kracht van Nederland als geheel, maar ook niet voor mensen persoonlijk.

Werk is meer dan een inkomen. Het is trots, zelfstandigheid, contact met andere mensen, ergens nodig zijn, onderdeel zijn van de samenleving.

Systemen die mensen afschrijven, moeten we veranderen in systemen die mensen optillen en een zetje in de rug geven. Laatst vertelde een ondernemer mij dat hij een sollicitant graag wilde aannemen. Maar die persoon had recent mentale problemen gehad.

Hij durfde het risico niet te nemen dat diegene uitvalt en hij twee jaar loon moet doorbetalen. Hij kan dat simpelweg niet betalen. Dit soort voorbeelden hoor ik overal.

Slecht voor kwetsbare mensen. Slecht voor de ondernemer. Slecht voor de economie. Daarom moeten we ons uitkeringsstelsel durven hervormen.

De WW, WIA, loondoorbetaling bij ziekte. Laten we daar eindelijk serieus het gesprek over voeren. Maar in plaats daarvan wachten we al maanden tot een paar vakbondsbestuurders aan tafel komen.

Eerst moesten ze wekenlang op vakantie, vandaag per se staken. En waarom? Omdat we mensen aan het werk willen krijgen, in plaats van aan de kant laten staan..? Omdat we willen investeren in de kracht van ons land, in plaats van achteruitgang managen..?

Als we luisteren naar de FNV, dan gaan banen naar de VS en China. Dan wordt werk door AI werk overgenomen, en komt er niks voor terug.

Ik zou zeggen: kijk eens verder dan je protestbord lang is. Laten we niet alleen aan de uitkeringen van nu denken,     maar aan de toekomst van onze kinderen.

In feite hebben werkgevers én werknemers hetzelfde belang. Namelijk dat bedrijven hier groeien en zorgen voor banen.

Als de vakbonden écht het belang van werknemers voorop zouden stellen, dan zouden ze vrienden zijn van bedrijven en ondernemers. Én zelfs van de VVD. Stop daarom met valse tegenstellingen creëren.

Wat hier ook bij hoort, is een ongemakkelijke discussie over hoeveel we werken. Onze bedrijven moeten concurreren met Amerika en China. Bij Chinese techbedrijven werken mensen 6 dagen in de week, van 9-tot-9, een 72-urige werkweek dus. Nu moeten wij in geen enkel opzicht een tweede China worden, maar hier stellen vakbonden voor om van een 36-urige naar een 32-urige werkweek te gaan.

Hoe kunnen we met 32 uur in de week bedrijven laten groeien, meer ouderen verzorgen, 100.000 huizen bouwen, onze krijgsmacht opbouwen? Vlak voor de zomer was ik bij een loonbedrijf in Drenthe.

Zij vertelden dat veel medewerkers graag veel uren maken.    ’s Avonds bijklussen om meer te verdienen, om in het weekend leuke dingen te doen. Ik vraag mij af of de bonden wel eens met dit soort harde werkers praten.

Aan de andere kant zie ik ook jongeren, net klaar met hun studie, nog geen kinderen, gelukkig geen gezondheidsproblemen, maar die wel in hun eerste baan al part time willen werken. Maximaal vier dagen in de week, soms zelfs drie.

Daar redden we het dus niet mee. Kom op zeg. Laten we weer vaker 5 dagen werken als norm stellen. En dan ook zorgen dat meer werken loont, en dat overwerken loont.

Als we willen bouwen aan de kracht van Nederland, vraagt dat een tandje erbij. Van ons allemaal.

  1. Democratische kracht

Kiezers mogen in een democratie verwachten dat de verandering wordt geleverd, waarvoor de meerderheid kiest. Tegelijk beschermt de rechtsstaat ieder individu en minderheden.

De basis hiervoor is de trias politica van Montesquieu Er moet een balans zijn tussen de uitvoerende, wetgevende en rechtsprekende macht.

En juist die balans staat onder druk. Internationale verdragen beschermen belangrijke waarden en rechten. Maar ze zijn vaak opgesteld in een totaal andere tijd en onder andere omstandigheden.

Zo stamt het VN-Vluchtelingenverdrag uit 1951. Het Europees Verdrag voor de Rechten van de Mens uit 1950. Maar de wereld van 2026 is niet de wereld van de jaren ‘50. Migratiestromen zijn veranderd. Technologie is veranderd. Grenzen zijn veranderd.

Tegelijkertijd worden verdragsbepalingen uit de jaren ‘50 door rechters uitgelegd naar de tijd van nu. Het zorgt ervoor dat de werking van die verdragen steeds verder uitdijt, zonder dat een parlement daar ooit expliciet toe heeft besloten.

En begrijp mij heel goed, ik maak geen verwijt aan rechters.   Zij doen hun werk naar eer en geweten. Maar er ontstaat wel een democratisch probleem. Want als burgers verandering willen, kijken ze naar de politiek.

Ze stemmen op politici en partijen. Kiezen een parlement. En verwachten vervolgens resultaat. Maar als de politiek steeds moet zeggen: “wij kunnen het niet veranderen, want dit ligt vast door een verdrag of een rechtelijke uitspraak”, dan ontstaat frustratie.

Niet omdat mensen tegen de rechtsstaat zijn. Maar omdat onduidelijk is wie verantwoordelijk is. En die frustratie begrijp ik. Je ziet het heel duidelijk bij asiel en migratie, de grootste bron van polarisatie.

De hoge aantallen asielzoekers leggen al jaren druk op onze samenleving. De asielketen kan het niet aan. De voorrang op schaarse woningen voelt oneerlijk. De kosten lopen op en problemen met integratie blijven bestaan.

Het fundamentele probleem is dat het uiteindelijk loont om je leven te riskeren op de Middellandse Zee, een mensensmokkelaar te betalen en hier in Europa een asielaanvraag in te dienen.

Daarom blijven mensen komen. Met de meeste vreselijke drama’s onderweg, terwijl de allerzwaksten juist achterblijven.

Daarom wil een overgrote meerderheid dat de asielinstroom omlaaggaat, door vluchtelingen in de regio op te vangen en alleen op uitnodiging hierheen te halen.

Maar dan moet het niet meer lonen om zelf hierheen te komen. Daarvoor moeten we bereid zijn om verdragen als het EVRM en het VN-Vluchtelingenverdrag aan te passen aan de werkelijkheid van vandaag.

Internationaal is hier breed draagvlak en momentum voor, maar het kabinet doet hier te weinig aan.

Ik roep het kabinet daarom op hier de hoogste prioriteit aan te geven. Als we de verdragen aanpassen, en hierdoor de tragische overtochten en de asielinstroom afnemen, dan versterkt dat het vertrouwen in de democratie.

Als ook kritiek op rechters hierdoor afneemt, betekent dat meer vertrouwen in de rechtsstaat. En zo kunnen we de balans in de trias politica herstellen.

Ook in de Nederlandse politiek is een nieuwe balans nodig, in het bijzonder tussen coalitie en oppositie. Jarenlang was de kritiek dat coalitiepartijen alles dicht regelden in een regeerakkoord en coalitie-overleggen.

En dat oppositiepartijen nauwelijks een rol konden spelen.Dat is nu in dit gefragmenteerde politieke landschap totaal anders.

Oppositiepartijen hebben bij een minderheidskabinet meer ruimte, en daarmee ook meer verantwoordelijkheid, om de koers van dit land te bepalen.

Zij bepalen mede welke begrotingen, wetten en moties worden aangenomen. En zijn daarmee medeverantwoordelijk. Dat is wennen, voor iedereen.

Voor coalitiepartijen, die gewend zijn dingen volledig met elkaar uit te onderhandelen. Voor oppositiepartijen, die gewend zijn de regering te bekritiseren en vooral tegen te zijn.

Voor media en kiezers, die de traditionele rollen van coalitie en oppositie gewend zijn. De vraag is: gaan kiezers oppositiepartijen beoordelen op hoe hard ze tegenspraak geven, of op hoeveel ze voor elkaar krijgen?

Als het dit politieke jaar lukt om wisselende meerderheden te vinden, krijgen we wellicht dingen voor elkaar die in een vaste coalitie niet waren gelukt.

Als daarbij ook het politieke debat relevanter is, kan dat bijdragen aan de vitaliteit van onze democratie. Het komende jaar zullen we zien of het lukt deze nieuwe balans op het Binnenhof. Belangrijk voor de kracht van onze democratie.

Ik rond af.

Wat er in de wereld gebeurt stemt mij niet vrolijk. Maar ik ben optimistisch over de kracht van Nederland. Als ik zie wat hier wordt bedacht en gemaakt, dan denk ik juist: kom op, we kunnen dit. Maar ik ben wel ongeduldig. Omdat ik niet wil dat we over tien jaar terugkijken en zeggen: we zagen het allemaal aankomen, maar we waren te druk bezig met onszelf. China wacht niet. Poetin wacht niet. Technologie wacht al helemaal niet.

Dus waarom zouden wij dat wel doen? Ik begon mijn toespraak met het blad ‘Vrij’, dat ik deze zomer kreeg. Hierin zat ook de tekst van een liedje, dat na de oorlog werd gezongen.

Het refrein luidt:

Help Nederland herrijzen, de handen aan de ploeg
Er moet zoveel gebeuren
Er is nog werk genoeg
Wanneer eenieder meewerkt
Eendrachtig hand in hand
Zal het gauw weer op dreef zijn in ons dierbaar vaderland.

Tachtig jaar later hoeven we Nederland gelukkig niet te laten herrijzen. Maar er is wel weer werk genoeg. Dus: de handen aan de ploeg. Voor dat dierbare plekje grond, waarvoor je niets ter wereld zou willen ruilen.

Confidental Infomation