Het Brabants Dagblad schrijft dat Brabant tekortschiet in het beschermen van de gezondheid van inwoners. De Brabantse GGD’en constateren dat gezondheid nog te vaak een sluitpost is en adviseren om gezondheid bij álle ruimtelijke plannen als vertrekpunt te nemen, niet als een vinkje achteraf.
Wie wil zien hoe actueel dat advies is, hoeft niet verder te kijken dan Gemert-Bakel.
Vorige week besloot de gemeenteraad over het TAM-omgevingsplan Milheesestraat in Milheeze. Een plan voor 87 woningen en een supermarkt. Woningbouw is hard nodig en ook wij vinden dat Milheeze moet kunnen groeien. Maar wel op een manier waarbij gezondheid vanaf het begin wordt meegewogen.
Dat gebeurde hier onvoldoende.
De woningen worden namelijk bewust gebouwd binnen de geurinvloed van een bestaande veehouderij. Volgens de gemeentelijke geurverordening geldt voor dit gebied een maximale voorgrondbelasting van 5 OU. Uit de stukken blijkt echter dat bij verschillende woningen een belasting van 6,4 OU wordt berekend.
Om dat toch mogelijk te maken, kiest het college voor een andere beoordelingssystematiek en stelt dat een goed woon- en leefklimaat tot 10 OU nog aanvaardbaar is.
De onderbouwing daarvoor overtuigt niet.
Zo wordt verwezen naar eerdere woningbouw aan de Paterslaan. Maar die vergelijking gaat mank. Bij de Paterslaan werd namelijk gewoon voldaan aan de geldende geurnormen. Dat is een wezenlijk verschil met de situatie aan de rand van Milheeze, waar bewust woningen worden toegestaan boven de norm die voor dit gebied geldt.
Nog opmerkelijker is de redenering in de adviesnota dat toekomstige bewoners waarschijnlijk vooral uit Milheeze zelf komen en daarom minder snel geurhinder zullen ervaren of klachten zullen indienen.
Dat is een gevaarlijke gedachte.
Gezondheid mag nooit afhangen van de afkomst van toekomstige bewoners of de verwachting dat mensen “wel gewend zijn aan de geur”. Er bestaan geen inwoners die minder recht hebben op een gezonde leefomgeving omdat zij uit hetzelfde dorp komen.
Juist het rapport van de Brabantse GGD’en waarschuwt hiervoor. Gezondheid moet een objectieve afweging zijn en geen bestuurlijke aanname.
Daar komt nog iets bij. Door woningen binnen een geurcirkel te bouwen ontstaat ook onzekerheid voor de agrarische ondernemer. Nieuwe geurgevoelige objecten kunnen in de toekomst gevolgen hebben voor vergunningen, bedrijfsontwikkeling of investeringen. Daarmee worden zowel toekomstige bewoners als ondernemers onvoldoende duidelijkheid geboden.
Het GGD-rapport stelt terecht dat gezondheid niet alleen een onderwerp voor de zorg is, maar onderdeel moet zijn van iedere ruimtelijke afweging.
Dat vraagt om consequent beleid.
Niet de ene keer miljoenen uitgeven vanwege geurhinder en de andere keer dezelfde geurbelasting wegredeneren omdat woningbouw gewenst is. Niet per dossier zoeken naar een onderbouwing die het gewenste besluit mogelijk maakt, maar vooraf duidelijke beleidskaders vaststellen die voor iedereen gelijk zijn.
Gezondheid hoort geen argument voor de bühne te zijn. Gezondheid moet het vertrekpunt zijn van ruimtelijke keuzes. Pas dan doen we recht aan toekomstige bewoners, aan agrarische ondernemers én aan de aanbevelingen van de Brabantse GGD.