Marco Mud VVD WCL – 10.03.2026
Gemeenten staan financieel onder druk. Taken nemen toe, middelen blijven achter en vroeg of laat komt de vraag op tafel: moeten we de onroerendezaakbelasting verhogen?
De OZB lijkt een eenvoudige knop. Draai eraan en het gat in de begroting wordt kleiner.
Juist daarom is voorzichtigheid geboden. Want zodra de OZB wordt gezien als een instrument om beleid te financieren, verandert er iets fundamenteels in de verhouding tussen overheid en burger.
De OZB dreigt dan ongemerkt een beleidsinstrument te worden.
En dat is precies wat zij niet hoort te zijn.
Hoe de OZB een beleidsinstrument kan worden
Formeel is de OZB een algemene belasting. Dat betekent dat de opbrengst niet aan een specifieke uitgave gekoppeld is. Het geld vloeit in de algemene middelen van de gemeente, waarover de gemeenteraad beslist.
Dat betekent dus ook dat er geen directe relatie bestaat tussen de OZB en gemeentelijke voorzieningen.
Vandaag kan de OZB bijvoorbeeld bijdragen aan onderhoud van wegen. Morgen kan de gemeenteraad besluiten dezelfde inkomsten voor een ander doel te gebruiken.
Wanneer de OZB structureel wordt ingezet om nieuw beleid mogelijk te maken, ontstaat daardoor een risico: de belasting wordt feitelijk een financieringsinstrument voor politieke keuzes, zonder dat burgers kunnen zien waarvoor zij precies betalen.
Dat is problematisch om twee redenen.
Waarom dat niet wenselijk is
De eerste reden is institutioneel.
Gemeenten beschikken in Nederland niet over een volwaardig eigen belastinggebied. Inwoners betalen immers niet alleen gemeentelijke belastingen, maar ook rijksbelastingen en provinciale heffingen.
Gemeenten hebben daardoor geen zicht op de totale belastingdruk voor hun inwoners. Als de OZB stijgt, gebeurt dat dus zonder dat duidelijk is wat er elders in het belastingstelsel gebeurt.
De tweede reden is principieel.
In een liberale rechtsstaat hoort de overheid terughoudend te zijn met het vragen van geld van burgers. Belastingen zijn geen neutraal instrument; zij grijpen direct in op het inkomen en vermogen van mensen.
Daarom hoort de overheid eerst kritisch naar haar uitgaven en keuzes te kijken voordat zij naar nieuwe inkomsten grijpt.
Het probleem van stijgende WOZ‑waarden
De discussie over de OZB wordt bovendien vertroebeld doordat niet alleen het tarief telt. De belasting wordt berekend over de WOZ‑waarde van woningen, en die waarde is de afgelopen jaren fors gestegen.
Uit de Jaarrekening 2023 blijkt dat de gemiddelde WOZ‑waarde in Wijk bij Duurstede steeg van €357.000 in 2022 naar €419.000 in 2023. In de Ontwerpbegroting 2026–2029 wordt voor 2025 een voorlopige gemiddelde WOZ‑waarde van €457.000 genoemd. Dat is een stijging van ruim 28% in drie jaar.
Tegelijkertijd laat het OZB‑tarief een opvallende beweging zien:
- 2022 > 2023: stijging van 0,1320% naar 0,1360% ( + 3,0%)
- 2023 > 2025: daling naar 0,112% ( – 17,6%)
- 2025 > 2026: stijging naar 0,116% ( + 3,3%)
Gemiddeld over de periode 2023–2026 komt het OZB‑tarief daarmee uit op 0,121%, terwijl de WOZ‑waarde in dezelfde periode bijna 30% stijgt. De belastingopbrengsten nemen dus automatisch toe, zelfs wanneer het tarief daalt of slechts beperkt stijgt.
Voor inwoners voelt dat vaak onrechtvaardig. Een gepensioneerde die al jaren in dezelfde woning woont, ziet de waarde van zijn huis op papier stijgen, maar zijn inkomen niet. Een jong gezin dat tot het maximum heeft moeten lenen om een woning te kopen, krijgt een hogere aanslag terwijl de financiële ruimte juist beperkt is. In beide gevallen betalen mensen belasting over waarde die zij niet in hun portemonnee hebben.
Het liberale uitgangspunt: opbrengstneutraliteit
Daarom zou het uitgangspunt van een verantwoord gemeentelijk belastingbeleid moeten zijn: stijgende woningwaarden mogen niet automatisch leiden tot hogere belastingopbrengsten.
Het doel moet zijn om de OZB in principe opbrengstneutraal te houden.
Dat betekent dat wanneer de totale WOZ-waarde stijgt, het OZB-tarief zodanig wordt aangepast dat de opbrengst voor de gemeente in grote lijnen gelijk blijft.
De gemeente profiteert dan niet automatisch van stijgende huizenprijzen.
Dit kan worden vormgegeven met een eenvoudige regel: wanneer de WOZ-waarde stijgt, daalt het OZB-tarief zodanig dat de totale opbrengst gelijk blijft, eventueel gecorrigeerd voor inflatie.
Dit principe kan worden samengevat in één beeld: de OZB-rem.
De OZB-rem in de financiële verantwoordelijkheidsladder
De OZB-rem werkt het beste wanneer hij onderdeel is van een bredere financiële systematiek.
Daarvoor kan een eenvoudige verantwoordelijkheidsladder worden gebruikt.
Trede 1: De noodzaakstoets
Is een uitgave werkelijk een kerntaak van de gemeente?
Trede 2: De doelmatigheidstoets
Kan dezelfde taak efficiënter worden uitgevoerd?
Trede 3: Prioriteiten stellen
Niet alles kan tegelijk. Politiek betekent keuzes maken.
Trede 4: Samenwerking en schaalvoordeel
Regionale samenwerking kan kosten verlagen zonder dat de dienstverlening verslechtert.
Trede 5: Profijtheffingen waar dat logisch is
Waar voorzieningen duidelijk samenhangen met gebruik, kunnen gerichte heffingen worden overwogen.
Trede 6: De OZB als laatste stap
Pas wanneer alle voorgaande stappen zijn benut, komt de OZB in beeld.
Maar ook dan onder duidelijke voorwaarden.
De OZB als tijdelijke sluitpost
Wanneer de OZB wordt ingezet om een begroting sluitend te maken, moet dat altijd tijdelijk zijn.
Een verhoging van het tarief hoort alleen plaats te vinden wanneer uit de meerjarenbegroting blijkt dat er reëel zicht is op herstel van de financiële balans.
Met andere woorden: de verhoging moet ook weer kunnen worden teruggedraaid.
Zodra de financiële ruimte terugkeert, hoort het tarief weer te dalen totdat opnieuw opbrengstneutraliteit wordt bereikt.
De OZB wordt daarmee geen structurele beleidsknop, maar een tijdelijke veiligheidsklep.
De OZB als lakmoesproef voor zelfstandigheid
Als een gemeente structureel hogere OZB-opbrengsten nodig heeft om haar begroting rond te krijgen, dan is dat een belangrijk signaal.
Dan gaat de discussie niet langer over de hoogte van de belasting.
Dan gaat de discussie over een fundamentelere vraag: kan de gemeente in haar huidige vorm nog zelfstandig functioneren?
De OZB wordt dan een lakmoesproef voor bestuurlijke zelfstandigheid.
Liberale rechtvaardigheid
Uiteindelijk gaat deze discussie niet alleen over financiën, maar over vertrouwen.
Inwoners mogen verwachten dat hun overheid zorgvuldig met hun geld omgaat. Dat betekent dat belastingen niet automatisch stijgen wanneer de waarde van woningen stijgt, en dat de overheid eerst kritisch naar haar eigen uitgaven kijkt.
De overheid hoort geld van burgers alleen te vragen wanneer dat echt nodig is – en dan nog zo beperkt en tijdelijk mogelijk.
Daarom hoort de OZB niet het beginpunt van begrotingsbeleid te zijn.
Maar het eindpunt.
Dat is niet alleen verstandig bestuur.
Het is ook precies wat inwoners van een liberale politiek mogen verwachten.