Woningnood: het tijdloze probleem
Een waarschuwing uit het verleden
Nederland kampt al jaren met woningnood. Simpel gezegd: veel mensen zoeken een woning, maar er worden er te weinig gebouwd. De overheid probeert samen met de gemeenten dit tekort gezamenlijk aan te pakken, maar in de praktijk blijft de woningbouw achter bij wat nodig is.
Ook in Eersel hebben we hier last van. Volgens het landelijke plan; de schaalsprong, zou onze gemeente tot 2040 ongeveer 4.000 tot 5.500 woningen moeten bijbouwen om aan de verwachte vraag te voldoen. De gemeenteraad heeft echter met een meerderheid besloten dit aantal te beperken tot 2.750 woningen.
De wens was om het dorpse karakter van Eersel te behouden. In principe is dit begrijpelijk, niemand wil een dat Eersel een anonieme stad word. Bovendien werd er gesteld dat meer bouwen niet automatisch leidt tot betaalbaardere woningen. Dat klinkt aantrekkelijk, maar deze redenering houdt geen stand wanneer we kijken naar feiten, economie en opvallend genoeg; onze eigen lokale geschiedenis.
Als geschiedenisdocent zie ik vaak dat problemen uit het verleden niet exact op dezelfde manier terugkeren, maar wél hetzelfde patroon volgen. De geschiedenis herhaalt zich niet, zij rijmt. Juist door zulke patronen te herkennen, kunnen we vandaag de dag betere keuzes maken.
Om dat patroon te begrijpen, gaan we ruim honderd jaar terug, naar 1920. In dat jaar bezocht de Commissaris van de Koningin, baron Van Voorst tot Voorst, het dorp Vessem, tegenwoordig onderdeel van de gemeente Eersel. Ook toen was woningnood een serieus probleem. In zijn dagboek noteerde hij:
“Den 18 augustus 1920 kwam ik weer in Vessem. Ook hier woningnood: in Vessem zouden vier woningen nodig zijn, in Knegsel twee. Voorlopig wordt nog niet gebouwd.”
Zes woningen lijken vandaag misschien weinig, maar in een klein dorp met grote gezinnen en nauwelijks alternatieven was dit een urgente situatie. Niet bouwen voelde veilig en overzichtelijk, maar betekende in de praktijk dat de schaarste bleef bestaan.
Vier jaar later kwam de Commissaris opnieuw naar Vessem. Hij schreef:
“Den 14 juli 1924 kwam ik weer in Vessem. In Vessem gebeurt niets, maar als er een huis te koop komt, dan wordt het verre boven de waarde gekocht.”
Het patroon is helder. Niet bouwen leidde niet tot betaalbaarheid of behoud, maar tot uitsluiting. Vooral jonge gezinnen werden geraakt: zij konden zich geen woning meer veroorloven en moesten noodgedwongen elders, buiten hun eigen dorp, hun toekomst opbouwen.
Dit is geen uniek verhaal uit het verleden. Ook in de andere Kempische dorpen speelde dit rond deze tijd, mijn eigen familie is bijvoorbeeld rond 1870 van Netersel naar Luyksgestel moeten verhuizen wegens dezelfde woningnood.
Economisch gezien is het ook eenvoudig om te verklaren waarom dit probleem tijdloos is: wanneer de vraag groter is dan het aanbod, ontstaat concurrentie en stijgen de prijzen. Minder bouwen betekent niet minder woningzoekenden, maar meer mensen die strijden om dezelfde schaarse woningen. Deze regel geldt in iedere tijd.
Eersel staat vandaag opnieuw op dit kruispunt. Kiezen we voor schijnbehoud, waarbij het dorp op papier ‘dorps’ blijft, maar tegelijkertijd steeds minder toegankelijk wordt voor eigen inwoners? Of kiezen we voor groei, zodat jongeren hier kunnen blijven wonen, gezinnen kunnen doorgroeien en ouderen kunnen doorstromen naar een passende woning?
Voor de VVD-Eersel is de keuze duidelijk. Woningbouw is geen bedreiging voor het dorpse karakter van Eersel, maar een voorwaarde om dat karakter levend te houden. Een dorp zonder ruimte voor de nieuwe generatie verliest zijn ziel.
Wij pleiten daarom voor realistische en verantwoorde groei: meer woningen dan nu gepland, met oog op betaalbaarheid, doorstroming en kansen voor onze eigen inwoners. De geschiedenis laat zien wat er gebeurt als we die keuze uitstellen. De vraag is of we dat patroon willen herhalen of dat we nu bewust kiezen voor een betaalbaar, leefbaar en toekomstbestendig Eersel.
Mees Wijnen
VVD Eersel