Studiefinanciering
De VVD vindt investeringen in de kwaliteit van het Nederlands hoger onderwijs dringend noodzakelijk. Kwaliteit moet prioriteit nummer één zijn. Daarom willen we dat er meer geld beschikbaar komt voor het primaire onderwijsproces in het hoger onderwijs.
Om dit te kunnen financieren zijn er feitelijk twee mogelijkheden. Of het beschikbare macrobudget voor het hoger onderwijs wordt verhoogd ten laste van de algemene middelen, of de studenten wordt gevraagd een hogere eigen bijdrage te leveren. Het ophogen van het macrobudget zou betekenen dat meer belasting moet worden geheven of dat de staatsschuld nog verder zal oplopen. Iets dat totaal onwenselijk is volgens de VVD, zeker in deze tijd. De VVD kiest er daarom voor om de kosten voor hoger onderwijs eerlijker te verdelen tussen overheid en eindgebruiker. In veel landen (bijv. China, Verenigd Koninkrijk, Australië) wordt door de groei van het aantal studenten inmiddels al aan ‘cost-sharing’ gedaan. In lijn hiermee wil de VVD een reëlere bijdrage van Nederlandse studenten vragen. Daarbij zal de overheid nog steeds het grootste deel van de kosten van de studie op zich nemen, want het wettelijk collegegeld blijft bestaan. Studenten betalen daardoor een maximum bedrag van 1.620 euro aan collegegeld, terwijl de feitelijke kosten van een studie gemiddeld 7.300 euro bedragen. Door de handhaving van het wettelijk collegegeld blijft de overheid dus driekwart van de werkelijke kosten voor zijn rekening nemen.
Student investeert zelf in toekomst
De studiefinanciering wordt wat de VVD betreft echter omgezet in een lening, die studenten na hun afstuderen tegen een lage rente, inkomensafhankelijk kunnen terugbetalen. Op deze wijze wordt benadrukt dat een studie vooral een investering in de eigen toekomst is. Deze investering betaalt zich overigens dubbel en dwars terug. Onderzoek van het CBS wees uit dat ieder jaar dat iemand studeert, het latere salaris met 7,5% doet stijgen. De VVD vindt het dan ook oneerlijk als alleen de belastingbetaler, dus ook de elektricien en de loodgieter, opdraait voor de kosten van het hoger onderwijs. De samenleving, die al een enorme investering in hoger onderwijs doet, mag van studenten ook een eigen investering in hun betere toekomst verwachten. Temeer omdat het gaat om mensen die niet langer leerplichtig zijn en dus een bewuste eigen afweging dienen te maken of en op welke wijze ze gebruik willen maken van het Hoger Onderwijs. Zo’n bewuste afweging zorgt naar de overtuiging van de VVD ook nog eens voor meer gemotiveerde studenten en minder kapitaalvernietiging als gevolg van verkeerde studiekeuzes.
De 1,1 miljard euro aan vrijvallende middelen investeert de overheid in de kwaliteit van het hoger onderwijs. Kortom, de student krijgt er meer en betere docenten, meer lesuren en betere begeleiding voor terug. Door de kwaliteitsimpuls zal het rendement van een studie alleen nog maar toenemen. Dat is goed voor de individuele student, maar ook goed voor Nederland. Alleen met een dergelijke kwaliteitsimpuls kunnen we met recht blijven roepen dat we tot de beste kenniseconomieën ter wereld willen behoren.
Toegankelijkheid
Er wordt wel gezegd dat een grotere private bijdrage voor het hoger onderwijs de toegankelijkheid in gevaar zal brengen: het kost de student immers geld. Maar dit hoeft niet het geval te zijn. In een sociaal leenstelsel schiet de overheid de kosten van hoger onderwijs voor, waarna studenten deze kosten inkomensafhankelijk terugbetalen. Als een student later niet genoeg verdient om de lening terug te kunnen betalen, zal het bedrag na een redelijke termijn worden kwijtgescholden.
De praktijk bewijst ook dat een leenstelsel de toegankelijkheid van het hoger onderwijs niet in gevaar hoeft te brengen. In Australië is in 1989 een sociaal leenstelsel geïntroduceerd in de vorm van het zogenoemde Higher Education Contribution Scheme (HECS). Verschillende evaluaties laten zien dat de deelname aan het hoger onderwijs in Australië niet is afgenomen na de introductie van het HECS.
Het systeem dat de VVD voorstelt is bovendien ouderonafhankelijk. Dit in tegenstelling tot het huidige stelsel waarbij de hoogte van de studiefinanciering oploopt naarmate de ouders minder verdienen. Aangezien studenten op 18-jarige leeftijd volwassen individuen zijn, mag de samenleving een bewuste eigen keuze van hen vragen. Daarbij hoort ook het zelf aangaan van een lening die geen relatie heeft met het inkomen van de ouders. Een student hoeft niet langer te bedelen bij zijn ouders voor de financiering van de studie.
Daarnaast krijgen studenten door dit plan meer en betere docenten, kleinere klassen, meer lesuren, meer maatwerk en betere begeleiding. Ook kan door dit plan voor tweede studies weer het wettelijk collegegeld worden ingevoerd. Dat stimuleert het concept van een leven lang leren en lost ook de huidige moeilijkheden rond de financiering van tweede studies op.
Conclusie
De VVD maakt een fundamentele keuze voor kwaliteit. Als wij studenten een grotere eigen financiële bijdrage voor hun opleiding vragen, komt er meer geld beschikbaar voor het onderwijs zelf. De VVD wil onderwijsgeld besteden aan onderwijs; niet aan inkomenspolitiek. Op deze wijze worden studenten én onderwijsinstellingen geprikkeld het beste uit zichzelf te halen. Instellingen moeten hun kwaliteit verbeteren en studenten zullen bewuster met hun studiekeuze omgaan. Daarnaast zullen studenten universiteiten en hogescholen sneller aanspreken op achterblijvende kwaliteit. Ze betalen immers voor hun studie en nemen daardoor minder snel genoegen met middelmaat. Uiteindelijk krijgen én de student én de samenleving meer waar voor hun geld. Beter onderwijs draagt bij aan een krachtige kenniseconomie. Dát is de toekomst van Nederland.
