De vergoedbaarheid van schade als gevolg van het overlijden of ernstig en blijvend letsel van naasten
Voorzitter, wij spreken vandaag, 9 maart 2010, in derde termijn over wetsvoorstel 28 781, het wetsvoorstel dat bekend staat als het wetsvoorstel Affectieschade. Op 12 september 2006 debatteerden wij in eerste termijn over dit wetsvoorstel en op 9 juni 2009 in tweede termijn. De periode van drie en een half jaar waarover het plenaire debat over dit wetsvoorstel zich uitstrekt, maakt duidelijk dat er tegen het wetsvoorstel nogal wat bedenkingen bestaan. En dat is niet onbegrijpelijk.
1. Aan de ene kant verdient de achterliggende gedachte achter het wetsvoorstel waardering. Die achterliggende gedachte is dat weliswaar nooit alle pijn van het verlies of het aanzien van het lijden van de naaste kan worden weggenomen, maar dat geld wel kan dienen als erkenning van het leed dat die naaste wordt aangedaan. Bovendien betekent de vergoeding in geld een vorm van genoegdoening doordat van de dader een opoffering in geld wordt verlangd.
2. Aan de andere kant kunnen de bezwaren tegen het wetsvoorstel niet ontkend worden: het wetsvoorstel maakt het mogelijk dát affectieschade wordt erkend en vergoed. Het mogelijk maken van vergoeding van affectieschade draagt bij aan de claimcultuur. De Staat, de overheid, bepaalt dat naasten en nabestaanden affectieschade kunnen hebben en bepaalt tevens de omvang daarvan, in geld. Wetsvoorstel en AMvB houden onvoldoende rekening met persoonlijke omstandigheden van de naasten en nabestaanden. Naasten en nabestaanden hebben behoefte aan een opoffering van de kant van de schadeveroorzaker, maar daarin lijken wetsvoorstel en AMvB niet in te voorzien: in de meeste gevallen zal de schade vergoed worden door de verzekeraar of het Schadefonds Geweldsmisdrijven; de schadeveroorzaker zal daar weinig van merken.
3. Voorzitter, sinds het debat van 9 juni vorig jaar, is de brief van de minister van 20 januari j.l. verschenen met als bijlage de ontwerp-AMvB. In die AMvB is inderdaad door de minister enige differentiatie aangebracht in de toe te kennen bedragen. De VVD-fractie had daarom in het debat van 9 juni 2009 gevraagd. Die differentiatie is echter beperkt: er is met betrekking tot de vergoeding van affectieschade een differentiatie aangebracht tussen overlijden en ernstig en blijvend letsel en een differentiatie met betrekking tot de aard van de relatie.
Wordt op deze wijze rekening gehouden met de individuele omstandigheden van naasten en nabestaanden? Het antwoord is ‘nee’. Ik geef een voorbeeld. De alleenstaande moeder, die een hechte band had met haar kind dat is overleden als gevolg van een geweldsmisdrijf, krijgt evenveel aan affectieschade uitgekeerd als haar ex-echtgenoot, de vader van haar kind, die zich nimmer iets aan het kind gelegen heeft laten liggen. Dat is voor die moeder moeilijk verteerbaar en zal haar pijn eerder vergroten dan verkleinen. Zo zijn er veel meer voorbeelden te noemen.
4. Uit het onderzoek van prof. Akkermans is nu juist naar voren gekomen dat naasten een duidelijke voorkeur hebben voor een wijze van vaststelling van het bedrag die rekening houdt met hun individuele omstandigheden. Als er dan al besloten zou worden om de vergoeding van affectieschade wettelijk mogelijk te maken, dan ligt het in de rede om die individuele omstandigheden in aanmerking te nemen. Ook in die zin dat een naaste, ook een ouder, waarvan kan worden vastgesteld dat deze, behalve de biologische, geen enkele band heeft met het slachtoffer, niet in aanmerking komt voor de vergoeding van affectieschade. Maar zoals gezegd, daarin voorziet de regeling niet. Als het anders is, verneem ik dat graag van de minister.
5. Waar het eigenlijk om draait, zo blijkt uit het rapport Akkermans, is niet de hoogte van de vergoeding van de affectieschade, maar de manier waarop de affectieschade wordt aangeboden. Bij de naasten en nabestaanden is er behoefte aan een persoonlijke, van medeleven getuigende manier van aanbieden. De – financiële - schadevergoeding is geen doel op zich, maar slechts een middel ter voldoening van emotionele behoeften (p. 73 van het rapport).
De vraag is: wordt daaraan voldaan door het wetsvoorstel? Ook op die vraag luidt het antwoord ‘nee’.
In meeste gevallen zal de verzekeraar van de schadeveroorzaker de affectieschade betalen of zal de affectieschade worden uitgekeerd vanuit het Schadefonds Geweldsmisdrijven. De schadeveroorzaker, de dader, zal er weinig of niets van merken.
In de brief van 20 januari j.l. schrijft de minister dat hij overleg heeft gevoerd met de Stichting Personenschade Instituut voor Verzekeraars om samen met de Letselschade Raad initiatieven te ontplooien voor een persoonlijke manier van aanbieden van affectieschade. Wat is de bedoeling? Komen er professionele ‘troosters’ of ‘doodbidders’ die in gepaste kledij als ‘aanzeggers’ van affectieschade bij de naasten en nabestaanden langs gaan? Dat is toch niet wat uit het onderzoek van Akkermans naar voren is gekomen, een soort ambtelijke club die de affectieschade komt langs brengen, terwijl de daders wellicht fluitend hun leven vervolgen? Ik hoor graag van de minister wat zijn opvattingen zijn over het op persoonlijke wijze aanbieden van affectieschade. Is het de bedoeling dat daarbij de schadeveroorzakers betrokken worden? Ik hoor ook graag wat er tot nu toe uit het overleg met de Stichting PIV naar voren is gekomen.
6. Voorzitter, de minister schrijft dat het Verbond van Verzekeraars positief heeft geadviseerd over de ontwerp-AMvB. Dat verbaast natuurlijk niet. Met deze AMvB weten de verzekeraars waar zij aan toe zijn. De vaste bedragen voor het toekennen van affectieschade zijn, in ieder geval voor de eerst komende jaren, bekend; zij kunnen daarop berekenen wat hun te verwachten risico’s zijn. In zijn tweede termijn heeft de minister aangegeven dat het wetsvoorstel uitsluit dat de hoogte van de vergoeding aan de rechter wordt overgelaten. Kortom, meer dan de in de AMvB gegeven bedragen kan een vergoeding van affectieschade niet worden. Dat is een plezierig gegeven voor de verzekeraars.
7. In dit verband vraagt mijn fractie zich af hoe de situatie zal zijn wanneer een naaste of nabestaande ondanks de wettelijke, in hoogte gelimiteerde affectieschade desalniettemin zich tot de rechter wendt om een hoger bedrag te verkrijgen? Wordt hij of zij dan niet-ontvankelijk verklaard? Kan er een beroep worden gedaan op het Eerste Protocol van het EVRM, omdat iemands recht op schadevergoeding beknot worden? Kortom, is de regeling Straatsburg-proof?
8. Tot slot wil ik namens mijn fractie nog het volgende naar voren brengen. Het wetsvoorstel Affectieschade komt erop neer dat de Staat bepaalt dát er affectieschade kan zijn, dat de Staat bepaalt wie affectieschade kunnen hebben, dat de Staat bepaalt wat de omvang van de affectieschade is. De Staat zelf echter draagt weinig bij aan het bestrijden en inperken van affectieschade. Stel een echtgenoot of een kind is overleden door bijvoorbeeld een geweldsmisdrijf. De overledene laat enig vermogen achter. Waarschijnlijk nog vóórdat de professionele ‘troosters’ van de Stichting PIV en de Letselschade Raad zijn langs geweest, ligt er al een aangifte formulier voor de successie op de deurmat. Dat draagt niet bij aan het verminderen van de affectieschade. Het afschaffen van successierechten tussen ouders en kinderen, wederzijds, zou integendeel een uitstekende vorm van vergoeding van affectieschade betekenen. De successiewet is weliswaar recent gewijzigd, maar wellicht geeft deze invalshoek de minister aanleiding om nog eens met zijn collega van Financiën te overleggen. Ik hoor graag de reactie van de minister.
9. Een allerlaatste punt, voorzitter. Tijdens het debat in tweede termijn heb ik de minister om een evaluatie van de wet gevraagd, in het geval deze zou worden aangenomen. Kan de minister toezeggen dat de uitkomsten van die eventuele evaluatie er ook toe kunnen leiden dat de affectieschade wet- en regelgeving zoals die thans voorligt alsnog wordt afgeschaft? Of kan die eventuele evaluatie slechts leiden tot aanpassing van de modaliteiten van de vergoeding van affectieschade?
10. Voorzitter, het zal duidelijk zijn dat de VVD-fractie nog steeds reserves heeft over het wetsvoorstel en in het verlengde daarvan ook reserves heeft over de ontwerp-AMvB. Wij wachten met bijzondere belangstelling de beantwoording door de minister af.
